Built with Berta.me

  1. door Xavier Van D'huynslager

    door Xavier Van D'huynslager

    De lente zal altijd weer terugkeren

    De radiatoren draaien op hun hardst. Bibberend zit ik op mijn stoel onder drie dekens, en de warme kruik tussen mijn armen geklemd. Mijn huisgenoot trekt aan de hals van haar coltrui, ‘Jezus wat is het hier heet.’ Ik probeer de energie bij elkaar te krijgen om op te staan en in bed te gaan liggen, maar dat betekent dat ik de dekens van mij af moet schudden, en door de kou moet.

    Mijn huisgenoot laat me alleen achter. Ze gaat eten met haar schoonouders. Eerst zullen ze een glas wijn drinken. Het eten wordt voor haar en haar vriend betaald. De schoonfamilie zal zich om haar bekommeren, vragen hoe het gaat met haar studie, terwijl de hand van haar vriend nonchalant over de leuning van haar stoel ligt.

    Opgerold in de stoel kijk ik door een spleet in de opgestapelde dekens naar de documentaire Maidan van Sergei Losnitza, over de opstand in Oekraïne. Koud zweet op mijn voorhoofd. Mijn handen zijn bevroren; ik ga erop zitten. De alomtegenwoordige stem van de man die van het hoofdpodium de toespraken houdt en de algemene mededelingen doet, schelt constant over het Maidan plein en bindt de hele film aan elkaar. Hij roept de mensen bijeen: ‘Kameraden, samen zullen we de strijd tegen Poetin winnen!’ Poetin die ‘het bloed drinkt van onze mensen’, de Oekraïners.

    In de trappengang van het stadhuis van Kiev hangen origami vogeltjes. De warm ingepakte mensen staren met open mond naar de vogeltjes, geven er een tikje tegen zodat ze gaan vliegen.

    Mijn kleren stinken naar ziek zijn. Het hoesten komt van onderuit mijn lichaam. Elke keer als ik mijn kaken op elkaar zet voelt alsof het binnenste van mijn oor uit elkaar scheurt.

    Aan een grote tafel smeren vrouwen, met papieren mutsjes op en lichtblauwe schorten om, boterhammen. Van dat witte brood dat uit elkaar valt als cake zodra je het uit de verpakking haalt. Een vrouw trekt een grote bak met honing open, kijkt er even onderzoekend naar. Dan giet ze het over, heel voorzichtig en zorgvuldig, in een kleinere bak, zodat het makkelijker is om te smeren. De boterhammen zullen de honger misschien niet stillen, maar net als de plastic schalen vol kopjes thee die naar buiten worden gebracht, zullen ze de demonstranten het gevoel geven dat zich samen door de dag en de nacht en de kou kunnen heen slaan. Ze hebben namelijk liefde van de zoete boterhammen en de thee in zich.

    Mijn been trekt in een kramp, de stoel waarop mijn voeten liggen schiet achteruit. Het is net of ik van een kilometer hoog ben gevallen; ik hap naar adem. Even weet ik niet waarom deze huid aan dit vlees kleeft, en wie het precies is die deze gedachtes denkt. Mijn vader zit bij De Wereld Draait Door, anders dan zijn gebruikelijke overhemd en colbert draagt hij nu een mooi en simpel grijsblauw t- shirt. Zijn ondeugende jongens glimlach op zijn lippen. Zijn hand sierlijk in de lucht om zijn punt te schetsen. Mijn moeder tegenover hem. Haar hoofd naar beneden; ze is in het donker gehuld. ‘Waarom heft ze haar hoofd niet op! Ze valt compleet uit het licht!’ kinkt het uit de regiekamer. ‘We hebben de oorlog over onszelf uitgeroepen’ zegt ze vanuit de schaduwen. Voor het eerst valt Matthijs van Nieuwkerk stil en draait ongemakkelijk in zijn stoel.

    Opnieuw kramp in mijn been, en opeens zit ik achter het stuur, angstig kijk ik om mij heen, dit is helemaal mijn auto niet. Boven mij hangen borden die richting Calais wijzen. Op het nippertje scheur ik langs mannen met plastic tassen en zware donkerbruine bonte jassen, het scheelt niet veel of ik had ze geschept. Ze klimmen net op tijd over de vangrail. In de achteruitkijkspiegel zie ik ze de Franse akkers inrennen. Aan de andere kant van de weg kijken de politiemannen uitgerust met helmen en schilden toe. Ze laten de vluchtelingen gaan.

    Mijn hoofd is te zwaar voor mijn nek en knikt naar achter. Op de televisie zie ik honderden mensen hun pet afnemen voor het Oekraïense volkslied. ‘Broeders! Ze hebben al onze hoop weg genomen! Maar we pikken dit niet langer! We zijn een vrij land! We zeggen “nee” tegen de fascisten en het totalitarisme!’ roept de stem.

    Een onzichtbare hand duwt me hard de stoel in. De onzichtbare hand pakt mijn hart, trekt het naar beneden. Het gevoel dat je krijgt als een vliegtuig opstijgt en je achteruit in je stoel wordt gedrukt. Telkens harder duwt die hand tegen mijn hart, dwars door mijn lichaam, tegen mijn rug aan tot de andere kant van mijn lichaam, mijn rug. Het is een chronische, doffe pijn.

    De Oekraïners op het Maidan Plein lijken een eeuwigheid te wachten. Samen staan ze geduldig te wachten op iets, samen stampen ze hun de voeten op en neer om tegen de kou. De draaideur van het stadhuis blijft almaar ronddraaien. Nieuwsgierig kijken de mensen ze in de lens van de camera. Een jongen met de Oekraïense vlag over zijn schouders gehangen rolt met zijn ogen als hij gefouilleerd wordt. Geen jongen met slechte bedoelingen, lijkt mij, gewoon het type stoere puber die zijn voeten op de bank van de bus legt,

    In de gaarkeuken staan grote dozen met tientallen potten jam. Alsof een rijke man met dikke buik, heeft gezegd ‘give them jam’ en zijn arbeiders honderden dozen naar Maidan heeft laten brengen. De komende dagen is het: brood met jam of brood met honing. Een man zegt tegen een rij mensen: ‘Sorry jongens, ik kan niks voor jullie doen, we hebben al genoeg hulp.’ En dan tegen de mensen die de dienbladen weg brengen: ‘Als ze vragen waar het vandaan komt, zeg dan dat het komt van Nikita en haar keuken!’ En toch blijven de mensen die niet hoeven te helpen staan, misschien kunnen ze later toch nog helpen. De deur blijft draaien. Tok, tok, tok.

    Ik kijk recht in het peertje dat aan het plafond hangt. We hebben een lampenkap nodig. In de badkamer trek ik de spiegel naar me toe, probeer een vuiltje uit mijn oog te halen, maar het enige wat ik zie is het vergrote oogwit. Mijn wijsvinger rolt als een computermuis over mijn oogbol. Ik kan mijn pupil niet vinden.

    In het restaurant zijn ze nu begonnen aan het hoofdgerecht, mijn huisgenoot en haar geliefde vertellen enthousiast over hun komende reis naar Lissabon voor Valentijn. De schoonouders zullen denken ‘wat een goede meid is ze toch.’

    Op het internet zag ik een foto van een reusachtige goud gekleurde Mao van veertig meter hoog, ergens in een verlaten en koud mistig landschap. De akkers om hem heen verdord, bruin, de gouden Mao is er achtergelaten. Hij staat er alleen voor. Niemand heeft meer een God nodig. Ik probeerde er een filmscenario bij te schrijven maar het enige wat ik kan bedenken is een jonge vrouw die door het Chinese landschap rijdt en het beeld ziet opdoemen uit de mist. Ze stapt uit en als ze het ding in zijn geheel ziet is het enige wat ze kan doen huilen.

    Mijn vader schrijft me in een email dat het kwaad het beste in de mens naar boven haalt, dat het veel inventiever en doortastender is dan het goede. Vooral het goede lijkt gewoonweg geen fut meer te hebben om goed te doen. Het goed is als een depressief loom beest is dat de hele dag in bed hangt, niet vooruit te schoppen is, en uit luiheid alleen maar dingen zegt waarvan hij denkt dat ze gezegd moeten worden.

    Het ergste van alles is nog dat we altijd denken dat het kwaad, het slechte ons niet zal overkomen, dat het nooit zo erg als vroeger zal worden. De mannen die ik de snelweg heb zien oversteken zullen een uitzondering op de regel zijn, die gaan niet onder een trein hangen om naar de andere kant te komen, die hebben hun eigen dochter niet zien verdrinken op het plastic bootje op de oversteek naar Europa, vertel ik mezelf. De verhongerde kinderen in Syrië, de bombardementen, de kogels, ik hoor ze niet, ik ruik het angstzweet niet; het zijn maar foto’s in de krant, het zijn alleen maar krantenkoppen, het zijn woorden, het is slechts zwart op wit.

    In het restaurant is het tijd voor dessert, de lippen misschien al rood van de wijn.

    Het zweet staat op mijn rug. Ik ga languit op de grond liggen, ik wil mijn wang tegen de koude vloer voelen.

    Een geliefde legt een natte handdoek op mijn voorhoofd. Ik kan alleen maar zachtjes kreunen van de pijn. Ze gaat naast me liggen, streelt over mijn wang totdat ik in slaap val. Als ik me omdraai om mijn neus in haar nek te nestelen ligt er niemand naast me.

    Ik voel mijn ogen in de kassen liggen, de spieren trekken aan mijn ogen. Ik voel het vel over mijn lichaam, voel mezelf denken, alsof mijn gedachten tastbaar zijn, alsof ik ze kan inspecteren als een objectieve wetenschapper die buiten het eigen lichaam gedachten in een testbuisje stopt. Het is alsof ik voor de eerste keer een bezoek breng aan dit lichaam; ik ken dit lichaam ergens van. In een ver verleden heb ik jou ooit gekend, wist ik nog waarom ik in jou zat, denk ik. Maar nu is dit lichaam, deze huid, deze gedachten, dit hart niet van mij. Wie is deze indringer die mijn lichaam heeft overgenomen?

    Mijn borstkas gaat omhoog, ik kan er niks doen, geluidloos begin ik te snikken, opgerold als een bal op de marmeren vloer. Het verdriet zit diep, het zit in mijn tenen tot het puntje van mijn hoofd. Mijn hoofd voelt als een gortdroge planeet, ver in het universum, dat nooit door iemand ontdekt zal worden.

    ‘Broeders, ken je een dokter, stuur hem dan naar het Maidan plein in Kiev... we hebben dokters nodig... Ik vraag aan iedereen om kalm te blijven. Alle dokters in Kiev, meld je alsjeblieft hier. Alsjeblieft, we hebben dokters nodig’ smeekt de alomtegenwoordige stem. Het plein staat in de fik, de mensen zijn bijna niet meer van elkaar te onderscheiden door de dikke rook. Er is een barricade gebouwd van autobanden en kapotte autodeuren. In de hoek staat een journalist te kotsen die pepperspray heeft ingeademd. ‘Mijn vrienden, ik smeek jullie om kalm te blijven. Samen zullen wij sterven.’ De maan verlicht het plein. Af en toe is door de zwarte rook heen de lichten van de gebouwen rondom het plein te zien. ‘In het hotel zit een sniper, alsjeblieft pas goed op jezelf.’ De politie rukt naar voren, duwt iedereen met hun schilden uit de weg. Vanaf de zijkant vuurt ze kogels af op de rode wangetjes.

    En weer val ik van duizenden meters hoog, mijn wang nog op de koele vloer. Het naakte licht van de gloeilamp irriteert me zo. Als je een lijn van mijn hoofd dwars door de aarde heen trekt, daar hoort iemand een bom afgaan in zijn slaapkamer, en misschien als je die lijn nog een paar duizenden kilometers verder trekt naar het noordoosten, dan zit Poetin daar in zijn werkkamer. We lopen allemaal op dezelfde oppervlakte, die oppervlakte waar ik nu met mijn wang op lig, en toch zullen het voor mij enkel woorden in de krant en beelden op de televisie blijven, nooit iets wat mij echt diep raakt in mijn hart. Ik hoop dat iemand aan de onderkant van de aarde ook zo met zijn wang op de grond ligt, zodat ik niet hoef te voelen alsof ik er helemaal alleen voor sta. Zodat de persoon aan de andere kant ook weet dat zij er niet alleen voor staat.

    Het fijne van de winter is dat je weet dat de lente altijd weer zal terugkeren.