Built with Berta.me

  1.  

    Kopje Onder

    ‘Nou, dit is jouw plek. Succes ermee, en gelukkig nieuwjaar!’

    Mijn baas zet mij af bij een steiger aan de linkeroever van De Schelde. Het is oudjaar. Mijn taak is om vanavond het vuurwerk te filmen. Bij de televisiezender waar ik werk doen ze graag alles op tijd, en daarom moet ik er al negen uur van tevoren zijn, om te repeteren. In de auto erheen voel ik me als een gevangene die naar zijn cel wordt gereden. Ik ben me volkomen bewust van mijn lot: ik mag daar helemaal in mijn eentje, in de kou en regen zitten.

    Voelde ik me eerst nog vereerd dat ik gepromoveerd was van camera-assistent naar cameravrouw, nu zie ik in dat iedereen ‘nee’ heeft gezegd en dat ik de enige gewillige was.

    Ook al zie je de steiger liggen vanaf het podium waar alles gaat gebeuren, we  moeten heel Antwerpen langs om er te komen. We gaan de ring op. Hoezeer verlang ik ernaar dat de auto doorrijdt naar Amsterdam, waar mijn vrienden me zullen opwachten. ‘Je bent toch gekomen!’ kirren ze enthousiast. Zoals de vorige jaren zal ik flessen drank uit mijn rugzak trekken. Misschien een zelfgebakken taart die een beetje te zompig is geworden, en die ze toch zullen opeten. ‘Wat schattig dat je dat hebt gemaakt.’ We tellen luidkeels af. Te laat: in de verte horen we het vuurwerk al af gaan. Fuck it, het is het nieuwe jaar, we stoppen met tellen en vallen in elkaars armen.

    Daarna scheiden onze wegen zich. Een groepje gaat naar het ene feestje, wij naar het andere. ‘We houden contact hè? Laat me weten hoe het daar is!’ Door de stad fietsen we, iedereen rinkelt naar elkaar, toeristen springen voor je fiets, gooien hun handen in de lucht: ‘Hey beautiful ladies, Happy New Year!’ brult er een met zijn Spaanse accent, zijn doorweekte IAmsterdam muts tot over zijn oren getrokken.

    We moeten twintig trappen op lopen, de muziek wordt intenser; we zijn op de goede weg. De vloer plakt onder mijn schoenen van het gemorste bier. Een tafel staat vol vieze plastic bekertjes, neem aan dat er één waarschijnlijk ongebruikt zal zijn, en ik schenk voor mijn vrienden en mij gin-tonics in. ‘Proost!’ Vanaf dan is het iedereen voor zich. De een haalt een pilletje uit zijn zak, de andere snuift dit, een derde is al stoned en gaat in een hoekje op de bank liggen. Mij passeren ook wat envelopjes en kleine ziploc-zakjes. De meeste laat ik passeren, maar toch kan ik ook niet overal van afblijven.

    De huizen staan dicht op de straat. We rijden de tunnel in, die ons onder de

    Schelde door naar de overkant neemt. De borden voor de tunnel lichten op: ‘Verminder uw snelheid!’ Het is altijd file in België, ook nu komen we nauwelijks vooruit. We sukkelen langs de nieuwbouwhuizen. Boven de kanten gordijntjes hangen spastisch knipperende kerstlichten.

    Later in de nacht, in de vroege ochtenduren, heb ik uitbundig met mijn vrienden gedanst op de keiharde trap muziek. Ik heb ze geschuurd, voor de grap opgetild en tegen de muur aan ge-daggered. Mijn oren piepen en de sigarettenrook prikt in mijn ogen. Ik sta met een vriendin te praten. Met onze armen om elkaars schouders geslagen, vertel haar dat ik hoop dat we samen oud zullen worden zodat we met onze boodschappenkarretjes naar de Dirk kunnen en samen blinde vinken zullen eten. Als ik zo met iemand een gesprek voer op een feestje, dicht tegen elkaar, tetterend in de ander zijn oor, voel ik altijd een speciale verbondenheid. De alcohol en gepasseerde envelopjes maken de tongen losser en oprechter.

    Ineens legt een onbekend maar bloedmooi meisje haar arm om mij heen, voordat ik het weet zijn we aan het zoenen, en even later gaan we naar haar huis. We moeten lopen want mijn band is lek en zij is vergeten waar ze haar fiets heeft neergezet. De wandeling ontnuchtert ons. Ongemakkelijk, met verlegen glimlachjes, lopen we gedoken in onze jassen door de straten die bezaaid zijn met vuurwerkafval naar huis. Eenmaal bij haar thuis lijkt ineens alles zakelijk en droog. We moeten lachen om de ongemakkelijke stilte. Ik help haar uit haar jas. Ze vraagt of ik ooit verliefd ben geweest en ik zeg ‘ja.’ Of het pijn heeft gedaan. Ik schrik, haar vraag duwt precies waar het pijn doet, en snel probeer ik de gevoelens te onderdrukken die ik al de hele avond probeer te ontwijken. Haar hand in mijn nek voelt alsof ze het gewicht van de wereld van mijn schouders neemt. ‘Doet er niet toe’, zeg ik, bang dat ze al veel te snel dichtbij komt. De rest van de nacht gaan onze lichamen in elkaar op. Als ze in slaap is gevallen vraag ik me al af of het nodig is om haar te zeggen dat dit de eerste en laatste keer zal zijn dat we dit doen.

    In de ochtend fiets ik terug naar huis en slaap tot de avond. Met mijn vrienden eet ik frietjes voor ontbijt en avondeten terwijl we een slechte biopic over de girlband TLC kijken. Na afloop drinken we nog een biertje om de kater weg te drinken en wisselen we stoere verhalen uit. ‘En waar was jij toen ineens? Ja ik dacht, die zal het wel naar zijn zin hebben. En oh my god, weet je wie ik heb betrapt in de badkamer...? Ja, ik meen het… Hee, zie ik daar een zuigzoen? En wie was die gast eigenlijk, kende iemand die? Die was zo hard aan de keta dat hij moest worden weggevoerd door een ambulance.’ Iedereen in joggingbroek, de gezichten bleek, de kringen onder de ogen bijna pikzwart, maar wel opgelaten. Het is een nieuw jaar met nieuwe kansen, en gisteravond zijn we het legendarisch begonnen.  Als ik ze trots vertel over mijn nacht, laat ik maar weg dat het voor mij veel meer betekende dan enkel een eenmalig avontuurtje.

    We parkeren de auto. Ik wacht braaf op de achterbank terwijl mijn baas nog met de andere crewleden aan het bellen is. Ik heb spijt dat ik dit baantje heb aangenomen. Ik wil met mijn hele hart en ziel bij mijn vrienden in Amsterdam zijn, en voel voor het eerst sinds jaren heimwee.

    Ik kijk op mijn telefoon: 16:30. Een van mijn vriendinnen, die vanavond gastvrouw is, zal langzamerhand beginnen haar kamer op te ruimen, geïmproviseerde stoelen van bierkratten en keukentrapjes te maken. Een andere vriendin zal bellen uit de supermarkt, met haar telefoon geklemd tussen de oren, met in haar ene hand humus en in de andere gevulde minipaprika’s. ‘Wat is beter denk je? Of zal ik allebei meenemen? En mag ik alvast komen? Of is dat niet cool? Ik verveel me zo.’

     

    Ik ben bang dat ik al mijn wilde haren heb verloren, dat mijn leven sinds een paar jaar is ingezakt en ik alleen nog maar bezig ben met werken. Dat de tijd van al feesten, de onbezonnenheid en het experimenteren voorbij is. Bijna al mijn vrienden hebben een stabiele relatie, wonen samen, hebben een voltijds baan en hun behoefte om eens flink door te halen is sterk verminderd. Ik ben bang dat die oud-en-nieuwviering uit mijn dagdromen tot het verleden behoort. Zelf voel ik me vaak te ongelukkig om me nog eens goed te laten gaan, en kruip ik liever onder de dekens. Door ‘ja’ te zeggen op dit werk vanavond heb ik het gevoel alsof ik mezelf alleen nog dieper in dat donkere gat aan het duwen ben. Vaak voel ik me veel te ongelukkig om me nog eens goed te laten gaan, en kruip ik liever onder de dekens. Door ‘ja’ te zeggen op dit werk vanavond heb ik het gevoel alsof ik mezelf alleen nog dieper in dat donkere gat aan het duwen ben.

     

     

    Ik haal de camera en statief uit het busje, en krijg van mijn chef een headset die me vanavond in contact zal houden met de regiekamer aan de overkant de Schelde. De steiger is van hout en gammel, en alleen te bereiken via een restaurant en een verlaten werf. Met de camera maak ik een kader, de stad en een stuk van de Schelde in beeld. Ik kijk op van mijn zoeker en zeg tegen mijn baas : ‘Alles zal wel goed komen.’ Hij laat Björn bij me achter. Björn is een kale reus. Na afloop van de uitzending is het zijn taak om de boel af te breken. Niet dat er op mijn plek zo veel is af te breken, behalve een antenne. ‘Dus wij gaan samen het nieuwe jaar inluiden,’ zegt hij.

    ’Blijkbaar,’ zeg ik.

    De wind komt vanaf de Schelde en waait recht in ons gezicht, Aan de overkant hoor ik het fragmentarische gebonk van de repetitie. De avond valt en de lucht verandert van blauw naar donkergeel, dan naar donkerroze. Ik trek een witte verroeste stoel de steiger op, positioneer me achter de camera en zet mijn headset op: ‘Dus dan als Silvie op het podium gaat hebben we ongeveer nog een halve minuut voor jou, Johan, dat je van het podium kan bewegen naar het water. Gaan we jou cue’en of gaat het wel zo lukken? En die leader, die is al klaar, dus gaan we dat eens repeteren?’

    Ik duik diep in mijn sjaal. Het is koud. Ook al heb ik thermisch ondergoed en drie truien aan, nu al zijn mijn voeten ijsklonten. Ik trek de headset af; mij zullen ze toch geen instructies geven. Mijn beeld is statisch en vanaf deze kant kan je niks zien van het concert, alleen van het vuurwerk, dus ik hoef niks te repeteren. Ik probeer diep in en uit te ademen, te kijken naar de lucht, te luisteren naar de golven en het heen en weer waaiende riet. Ik probeer ‘in het moment’ te zijn, maar hoe ik ook mijn best doe, ik word overspoeld door een gevoel van ongeluk en eenzaamheid. Vannacht heb ik over mijn ex-geliefde gedroomd en haar aanraking voel ik nog op mijn huid. De gedachte dat ze een ander heeft, onbezorgd zal feesten, blij dat ze van me af is, is alsof een ijskoude hand mijn hart samenknijpt.

     

    Een liedje van Eefje de Visser zit vast in mijn hoofd:

    Soms kijk ik om naar de Noordzee en dan duik ik kopje onder/ zo het zand uit m’n haar onder water daar waar ik mezelf niet hoor/ Ook hier is het hoog de balkons hangen scheef en ik kijk steeds naar een raam aan de overkant en ik zie het mezelf zien/ Ik leg alles uit/ Ik zing de wereld toe maar/ sluit niets af.

    Net als bij Eefje put mijn hyperbewustzijn me uit. Ik kijk naar mijn mobiel, wacht af tot de minuut verandert in de volgende. Mijn gedachtes zijn als een hond die in zijn eigen staart probeert te bijten. Hoe makkelijk zou het leven zijn, als ik in staat was om gewoon van de mooie lucht en de frisse wind te kunnen genieten. Om kopje onder te gaan in deze mooie lucht, de frisse wind, dit uitzicht, dit moment  van bezinning. Kopje onder, daar waar ik mezelf niet hoor, mijn gedachten op pauze.

    Ik steek een sigaret op. Morgen zal ik stoppen; vandaag nog niet. Ik heb geen gevoel meer in mijn voeten. Het is compleet onzinnig om hier nog naast de camera te zitten: er is nog zes uur te gaan voordat het middernacht is en ik in touw moet komen.

    Ik ga bij Björn zitten die zich in het busje warm houdt. Ik sla meteen mijn boek open; geen zin in een gesprek met deze onbekende man.

    De volgende zes uur praten we onafgebroken. Hij vraagt hoe lang ik al voor de televisie werk en of ze mijn moeder hadden moeten ontvoeren zodat ik toe zou zeggen om deze avond te werken. We klagen. We maken grappen over dat we hier helemaal in ons eentje zijn achtergelaten. We noemen onszelf de Linkeroever Losers. Björn reist de hele wereld over met een team van podiumbouwers. Hij is al maanden achter elkaar op tour geweest met de grootste namen: AC/DC, Rolling Stones, Madonna, Tina Turner. We hebben het over de hiërarchie van de sterrenwereld, de filmset en het concert. Bovenaan staan de regisseur, de artiest, de actrices, de cinematograaf. Die zonderen zich af van de rest, die durf je ook niet zo goed aan te spreken, vooral uit angst dat ze niks terug zeggen. Zij krijgen alles wat ze maar believen: een persoonlijke assistent, een kopje gemberthee met citroen als ze er om vragen, M&Ms waar handmatig alle pinda’s uit zijn verwijderd. De productiemeisjes komen als volgende in de hiërarchie. Vaak overactief, veel mierenneukerij. Met gespeelde vriendelijkheid winden ze je om je om hun vinger. En dan de podiumbouwers, de electro’s, de gaffer, de grippers; de mannen met afritsbroeken en wandelschoenen.

    ‘Die productiemeisjes denken er niet bij na, maar elke keer staat dat gigantische podium er weer. Dat zijn wij. We zijn de staaljongens, de steelboys, maar denk maar niet dat iemand ons zal bedanken. Ach, doet er ook niet toe.

    Ja, dan loopt Mick Jagger net voor je langs, maar wat dan nog, is toch ook gewoon een mens.’

    Björn werkt in ploegendienst. De nachtploeg begint om twee uur ’s nachts en is pas om twee uur in de middag klaar. Zo reist hij met de entourage van de sterren de wereld rond. Opbouwen, afbreken, opbouwen, afbreken. Vorig jaar zat hij in Brazilië;  het jaar ervoor op Bali . Werken op de linkeroever van de Schelde is iets minder avontuurlijk.

    Hij wordt bij die klussen soms ook ingezet als decorbouwer, of chauffeur. Zo moest hij voor een grote filmproductie vier keer op en neer rijden naar Londen voor één kostuum. ‘Voor de rol van een of andere koning... Karel? Zat het kostuum niet goed, mocht ik weer terug. Zo blijf je wel bezig. En zie je nog eens wat van de wereld.’

    Trots laat hij foto’s op zijn mobiel zien van zijn dochtertje van zes. Met een brutale grijns kijkt ze in de lens van de camera, stevig haar armen geslagen om hun bulldog. Ze is tenger, haar haren donkerblond. ‘Een stoere,’ zeg ik.

    ‘Oh, zeker weten... en ook heel koppig. Dat heeft ze van mij,’ grijnst hij. Hij is blij dat ze nauwelijks geïnteresseerd is in de iPad. Alleen is het soms wel wat moeilijk om haar van de tv weg te sleuren. Als hij laat in de avond uitgeput thuis komt van zijn werk, dán wil ze ineens wel buiten gaan wandelen met de hond. En ja, dan heeft hij geen zin, maar hij moet wel, want hij is vader en moet het goede voorbeeld geven.

    Ik heb mijn headset op het dashboard gelegd, het volume hoog gezet, voor het geval dat de regisseur iets tegen mij gaan zeggen. Het gekwetter van de regiekamer is de soundtrack van onze oud en nieuw. ‘Camera 4, kan jij eens even inschatten hoe veel tijd je nodig hebt om van het podium naar de waterkant te lopen? En als Stan aankomt, laten we dan meteen een shotje van het publiek erbij pakken. We zullen je cue-en, ja hoor, geen probleem.’

    Björn heeft de motor aangezet om de auto te verwarmen. Het licht valt uit. Als hij de lichten weer aan doet, staat op het dashboard: 21:55. ‘Nou, nog maar twee uur te gaan, de tijd gaat toch best wel snel zo.’ Ik zeg dat ik hem moet teleurstellen, dat de klok op het dashboard een uur voor loopt. Dus we hebben nog drie uur om te doden. Wat staren voor ons uit; kijken naar de geraamtes van de boten op het werf. Soms spring het bouwlicht aan.

    Iemand bonst op ons raam. Hij is van het restaurant. Of we iets willen drinken. Aan de andere kant van de oever, bij het podium, hebben ze een hele cateringtent opgezet, waar het verwarmd is, de televisie aanstaat. Er zijn wafels, broodjes, koffie, en soep. Voor ons, op de linkeroever, is niets. De man van het restaurant brengt ons mierzoete koffie met een gigantische scheut melk. Maar het is warm, en dat is het belangrijkst.

    Uit de headset klinkt: ‘Prrrt...Fffff... Linkeroever.’ Björn zet de motor af: ‘Ik denk dat ze iets over jou zeiden.’ Ik zet de headset op, luister mee. ‘Dus als je van het podium afloopt, dan wil ik dat camera 3 met een zwiep over het publiek zich richt op de linkeroever.’

    ‘Het ging niet over mij,’ zeg ik hem. ‘Ik ben gewoon camera niks. Ik heb niet eens

    een nummer. Ik vraag me af of iemand het zou merken als we hier niet meer zouden zijn.’

    ‘Wat stel je voor?’ grijnst Bjorn.

    ‘Nou, ja, laten we het maar op een zuipen zetten,’ zeg ik.

    We lopen langs de Schelde. We zijn in een buitenwijk van Antwerpen; de straten zijn verlaten. Op een minigolfbaan knipperen de lichten: paars, blauw, geel. Er is niemand. Verderop is er een soort après-skibar opgezet, waar een fles cava voor vijftien euro wordt geadverteerd. De barman staat helemaal alleen met zijn hoofd te knikken op de techno die keihard over het terrein galmt.

    Het restaurant ernaast zit bomvol mensen. Alle tafels zijn bezet. Keurig nette mensen. Een kelner buigt zich over hun heen, een fles wijn gewikkeld in een servet, schenkt iedereen nog wat bij. ‘Volgens mij is dat geplaceerd,’ zegt Bjorn, en we lopen verder, op zoek naar een plek waar outcasts zoals wij welkom wel zijn. We vinden bar ‘De Meeuw’. Op het raam een kerstboom geschilderd, en de tekst ‘Een voorspoedig 2016’. Het is een spartaans ingerichte feestzaal. De tegels zijn grijs, het kille licht is afkomstig van TL-buizen. In de hoek flipperkasten, in het midden een goktafel. Bij het raam dames van rond de zestig, allemaal met stevige buik, kort en pittig kapsel, en de paarse en zwarte tunieken die bij zo’n lichaamsbouw en kapsel passen.

    We bestellen twee biertjes. ‘Gedaan met werken?’ vraagt de barvrouw. ‘Nee, maar ze zijn ons vergeten’ antwoordt Björn. De vrouw laat haar vergeelde tanden zien als ze met een lach haar onbegrip probeert te verbergen. Zij draagt een glinsterende diamantenketting. Kan niet echt zijn. Eén oor van boven naar beneden vol met ringen. Haar korte haar met highlights naar boven geföhnd. De kringen onder haar ogen steken zwaar af tegen de pastel witte huid.

    Op weg naar de toilet loop ik langs een groep oudjes, hun huid gekreukeld en uitgezakt, de vrouwen met kinnen als kalkoenen, de mannen met goedkope leesbrilletjes op. Ze hebben zo te zie net een oudejaarsdiner gehad, en op de tafel staan nog restjes cola en Fanta, aardappelsalade, stokbrood, koolsla, fondue.

    Niemand zegt iets, iedereen zit een beetje naar zijn cola glas te staren, draait het tussen de vingers rond alsof het een onderzoeksobject is. Justin Bieber zingt hard en vult de stiltes op.

    Ik vraag Björn of hij goede voornemens heeft. ‘Gezond leven.’ Hoe dat zo, vraag ik.

    Toen hij in Australië was, vijf jaar geleden, moest hij naar de dokter. Hij had een tumor. Het was niet uitgezaaid, had de Australische dokter gezegd. Maar terug in België zagen de artsen dat de kanker overal zat, in de maag, in de longen. Maandenlange chemokuur.

    Kort geleden heeft hij het ‘vijfjaarpunt’ gehaald, wat betekent dat hij zich geen zorgen hoeft te maken en dat het voorlopig niet zal terug komen. ‘Dat heeft je zeker wel wakker geschud?’ vraag ik hem. Hij trekt zijn schouders op. ‘Bwah. Ik dacht gewoon, ik ga niet dood.’ Hij wilde blijven werken. ‘Je kan jezelf ziek denken, of ertegenaan gaan.’ Dus ook al zeiden de artsen dat hij een jaar rust moest nemen, hij stond vier maanden na de chemo alweer podia op te bouwen. Daar wordt hij het gelukkigst van.

    Als ik hem vragen stel over AC/DC of The Rolling Stones antwoord hij kort of haalt hij alleen zijn schouders op. Die sterren doen hem allemaal niet zo veel. Behalve Tina Turner, de beste om mee te werken. ‘Een schat van een vrouw, en wat een stem...’ De crew is zijn familie, zijn vrienden zitten over de hele wereld. De mensen in deze branche begrijpen elkaar. De banden worden snel nauw door het intensieve samenzijn. Als de tour is afgelopen zien de crewleden elkaar jaren niet meer terug. Maar ‘als je elkaar acht jaar niet hebt gesproken, kun je zo de draad weer oppakken.’ Daar doet niemand moeilijk over. De vriendschap is eeuwig, ook al zijn ze gescheiden door oceanen en tijdzones. Maar nu met zijn dochtertje is het soms lastig. Ze krijgt besef van tijd, en weet nu dat als papa weg gaat met het vliegtuig, in plaats van met de auto, dat het slecht nieuws is. Want dan is hij lang weg.

    Ik word zenuwachtig van de gedachte dat mijn baas erachter zal komen dat we niet meer op onze positie zijn. We moeten terug.

     

    *

    Door de koptelefoons klinkt weer het gepraat uit de regiekamer, de autoverwarming ratelt. Niet denken aan wat mijn vrienden in Nederland aan het doen zijn. Denken aan het extra geld dat ik vanavond zal verdienen. Maar meteen erachteraan denk ik dat het uiteindelijk toch zal opgaan aan een mislukte film, of het zal gewoon verdwijnen in de dagelijkse aankoop van alcohol, sigaretten, wc papier en crackers.

    ‘En jij, heb jij een kinderwens?’ vraagt Björn. Ik schiet ongemakkelijk in de lach. ‘Nou ja, gewoon een verlate vraag, je leek zo enthousiast toen ik foto’s van mijn dochter liet zien.’

    ‘Ik wil ze wel hoor.’ Ik heb het gevoel alsof ik meer moet uitleggen. ‘Maar ja, daar ben ik nog veel te jong voor. En trouwens ik studeer nog.’ Met mijn hele hart hunker ik stiekem naar de saaie droom van huisje, boompje, beestje. Maar dat vertel ik hem niet.

    Dromen mensen immers niet over datgene wat ze denken nooit te kunnen krijgen?

    ‘En dan, Hollywood?’ Ik trek quasi-minachtend mijn wenkbrauwen op. Dat lijkt me niet een wereld voor mij. In ieder geval niet een wereld voor mijn films. Ik zeg hem dat het me niet uitmaakt waar ik terecht kom, ik wil gewoon kunnen vertellen wat ik wil, en dat ik met films mijn huur wil betalen, en als het nodig is de school van mijn kinderen. Meer wil ik niet. Geen gouden beeldje, geen trophy wife, geen koelkast vol met champagne. Geef me liever een wekelijkse biogroentekist en een uitje naar Artis.

    De telefoon gaat. Ik stap naar buiten. Het is de regisseur. ‘Zeg, ik wou je even bellen om te briefen over vanavond.’ We zijn nog drie kwartier van de opnames verwijderd. ‘Nou we dachten waarom filmen we niet eens van de andere kant, dat we de stad in het geheel kunnen zien, en daarom zijn we zó blij dat je dit wil doen voor ons. We vragen om een statisch kader, en misschien kan je de groten van Antwerpen ook een beetje in beeld brengen. Het reuzenrad. De toren. Goed, Sophie, bedankt hè, en alvast een gelukkig nieuwjaar!’ En hij hangt op.

    Ik steek een sigaret op. Het water raast door de Schelde, de wind blaast me bijna van de stijger. Aan de overkant enthousiast gejuich. Het concert is begonnen. De regiekamer geeft aanwijzingen: ‘Camera 4, en camera 5, heel mooi shotje, Paula, camera 7 is eigenlijk ook wel mooi zo, hè?’ En dan ook de andere regisseuse, die op de maat van de muziek de cuts aftelt: ‘En 4, 3, 2, 1... De twee regisseurs als in canon: ‘Camera 4, camera 5, en 3’

    ‘3, 2, 1.’

    Two shot, camera 5, houdt dat vast.’

    ‘5, 4, 3, 2, 1.’ Met lichte paniek: ‘Stan maakt zich klaar voor het tussenstuk! We gaan de drum en piano nodig hebben!’

    Ik voel de bas door het water heen, dreunend tot in mijn borstkas. Ik probeer niet te denken aan mijn vrienden die nu samen onder een paraplu en flessen champagne in hun handen gekneld naar de Berlagebrug lopen. Ik probeer aan mijn reis naar Canada te denken, om daar mijn beste vriend op te zoeken. Om onze stomme grappen weer voort te kunnen zetten. Samen kunnen zitten in stilte zonder behoefte om elkaar constant bezig te houden. Allebei avontuurlijk ingesteld, allebei geen behoefte aan gezeur of eisen. Met een oude bak over de grens rijden, door North en South Dakota. Foto’s nemen bij domme billboards, naar een evangelische kerk, in stuiptrekkingen op de grond vallen en in tongen spreken. Geen slaapplaats kunnen vinden, en dan maar in de auto slapen. Een sprintje trekken bovenop de berg, met onze handen op onze knieën uithijgen en kijken naar het adembenemende uitzicht. Met hem uitgaan, zijn wingwoman zijn, ‘Hee zie je die jongen daar, die vindt jou héél leuk!’ zou ik brutaal zeggen tegen een meisje, terwijl mijn vriend zich in een hoekje verstopt. Het meisje zou gecharmeerd zijn, de vriend en zij zouden klikken, en ik zou toch een tikje jaloezie voelen. Niet omdat ik verliefd op hem ben, maar omdat ik er gewoon slecht tegen kan om alleen te zijn.

    ‘Je kan jezelf ziek denken, of ertegenaan gaan.’ Wat Björn zegt is zo aannemelijk: een lijfspreuk die werkbaar lijkt. Het leven flink bij de kraag pakken en niet blijven hangen in een vicieuze cirkel van navelstaren. Mens, stel je eens een keer niet zo aan.

     

    De Vlaamse zanger Stan van Samang rent over het podium, zwaait met zijn arm omhoog, om het publiek hetzelfde te laten doen. Dat deint al heen en weer met omhooggehouden smartphones. Als acteur speelde hij middelmatige rollen in Belgische soapseries, nu maakt hij middelmatige stadionballads. De presentatrice van de avond is Joy Thielemans. Joy is actrice in Thuis, het Vlaamse equivalent van Goede Tijden, Slechte Tijden. Op Instagram beschrijft ze zichzelf als ‘Antwerp breather. Actress, Storyteller.’ Bij het eten voor de uitzending zat ik naast haar aan tafel. De stevige crewleden schoven hun ‘chique’ nieuwjaarsdiner binnen een paar seconden naar binnen. Joy kreeg een speciaal bordje met alleen een stukje kip waar ze kleine prinsessenhapjes van nam. Het zag er treurig uit, het witte droge stukje vlees, eenzaam op een gigantisch groot bord. Een spinazieblaadje erbovenop voor de sier.

    Ik doe mijn headset op. ‘Ah, mevrouw gaat aan het werk,’ zegt Björn. Ik zet de camera aan. Nog tien minuten tot middernacht. Ik wikkel mijn sjaal strak om mijn nek, ik trek mijn capuchon over mijn koptelefoon. Ik hoor niks meer van het concert, de wind, alleen nog de regiekamer. Mijn oog paraat op de viewfinder. Het beeld is grijs (voor de scherpstelling), in de hoeken staat de informatie over de batterij en de lichtwaarden.

    Over de Schelde vaart een bootje. Op de klok van de camera zie ik dat middernacht nadert. Björn komt naast me staan, zegt iets, ik wijs naar mijn koptelefoon, ik kan niks horen, gebaar ik. Nog een minuut. Nog een halve, nog tien seconden. Vanuit de regiekamer hoor ik op de achtergrond vaag hoe Joy en Stan aftellen. ‘5…4…3…2…1…” En het vuurwerk knalt los, oorverdovend, gigantisch, magistraal. Maar ik zie het allemaal in een grijze kleur gebeuren. De regiestemmen dringen door tot in het diepst van mijn hoofd.

    Geen ‘Gelukkig Nieuwjaar’ om middernacht, er moet gewerkt worden. Ik volg met de camera het vuurwerk. ‘Oh, dat moest 2016 zijn,’ wordt er gegiecheld in de regiekamer, en ik zie er inderdaad niks van: het is een grote rookwolk, ergens denk ik een grote 2 te onderscheiden. ‘En nu komen de hartjes!’ Soms zegt de regisseur dat naar de linkeroever geschakeld moet worden. Dat ben ik. ‘Dat is toch wel mooi daar, hè, met al die kleurtjes en lichtjes,’ zegt  de regisseur.

    De vuurwerkshow is alweer afgelopen. Mijn werk zit erop. Vijf minuten, dat was alles wat ik moest doen. Ik geef Björn drie kussen. ‘Gelukkig nieuwjaar. Ik hoop dat het vuurwerk mooi was.’ Björn trekt zijn schouders op, de botheid van de ‘stalen jongens’ draagt hij als een kostuum. Ik weet dat er veel meer achter zit, maar zoals ik de taal van mijn vrienden overneem, neemt hij de taal over van zijn geadopteerde familie.

    ‘Bwah, ik heb wel beter gezien.’

    Misschien probeert hij me een goed gevoel te geven, dat ik niks gemist heb. We pakken snel en in stilte de spullen op, halen de gigantische antenne uit elkaar, rollen meters kabels op. Terug naar basecamp, aan de andere kant van de Schelde, waar het podium is. We rijden weer over de ring, maar er zit geen beweging in de stroom auto’s. De moeheid slaat toe. Ik leg mijn voeten op het dashboard, mijn hoofd tegen het raam.

    Altijd denk ik dat ergens anders beter zal zijn, nooit tevreden met wat ik heb. Als ik nieuwjaar in Amsterdam had gevierd, zou zoals gewoonlijk mijn verlangens stuk zijn geslagen op de werkelijkheid. Ik zou te veel druk voelen om sociaal en leuk te zijn, na middernacht al meteen willen gaan slapen. Ik zou me afvragen of ik toch beter in Brussel had kunnen blijven vanavond. Ik hoop dat Björn net als mij het geluk deelt om een bijzonder persoon te hebben ontmoet op een avond waarvan ik dacht dat ik zou verdrinken in mijn eigen zwaarmoedigheid.

    ‘Zo slecht hadden we het niet hè, met ons tweetjes,’ zegt Björn. ‘Nee,’ zeg ik glimlachend ‘integendeel.’